De making of... De hoer van Horatius / 1

23 Sep 2016

 1. Kippen

 

Het begon in 1967, toen we elkaar voor het eerst ontmoetten op het internaat van het Canisius College in Nijmegen. Joost werd toen halverwege het schooljaar in onze groep opgenomen. Hij had er wel zin in, zei hij, wat ik niet geloofde, want de meesten van ons hadden last van heimwee. Joost niet, die was in zijn element. Al snel schreef hij verhalen in het schoolblad en het jaar daarop was hij hoofdredacteur. We waren veertien, vijftien jaar oud. Kinderen nog. Ik speelde dwarsfluit in de band en droomde van een carrière als Jethro Tull. De chemie van onze vriendschap was voor mij een raadsel, omdat we zo verschillend van aard waren. Misschien voelde ik me aangetrokken tot zijn sombere, enigszins zelfdestructieve kant, die hij zorgvuldig voor iedereen, ook voor mij, verborgen hield achter kwinkslagen en zijn innemende lach. In mij herkende hij mijn vrije, onbekommerde geest die ik op mijn beurt verstop-te onder een overvloed aan vlijt en toewijding. Joost maakte zijn school niet af en vertrok naar Spanje, waar zijn ouders woonden. Hij had er wel zin in, zei hij. 'We gaan brieven schrijven!'

In die brieven ontdekte ik de schrijver. Telkens wanneer Joost schreef over een of andere gebeurtenis, spon hij dat uit tot een verhaal waarvan je niet wist waar precies de overgang van feit naar fictie zat.

 

 

In 1974 woonden we in hetzelfde huis aan de Frankrijkstraat in Eindhoven. Ik had mijn studie theologie opgegeven en werkte nu een paar uur per week in een boekhandel. Joost had na zijn militaire dienst een baan gevonden bij Philips Nederland. Iedere ochtend hees hij zich strak in het pak en verliet het pand met gepoetste schoen-en en een venijnig aangesnoerde stropdas rond zijn nek om een paar honderd meter verder naar zijn werk te gaan. Laat in de middag kwam hij weer thuis, rukte het harnas van zijn lijf en werd een ander. In boxershort (soms) en met ontbloot bovenlijf (altijd) wierp hij zich aan zijn schrijftafel en begon verwoed te schrijven. Pen op papier, blocnote na blocnote. Tot diep in de nacht zat hij onder het kleine zolderraampje aan een houten plank op schragen aan zijn epos te werken. Dat is het beeld dat ik van hem heb uit die tijd: voorovergebogen, op het puntje van zijn stoel, zijn haar altijd iets te lang en in de war, een dun en mager lijf waarop je met gemak de ruggenwervels kon tellen. Wanneer ik bij hem binnenliep, keek hij verschrikt op, met grote ogen en een droeve grijns. Een hongerkunstenaar.

 

 

Dat epos is niets geworden. Mijn dwarsfluit speelde er nog wel een rol in. In een fragment dat hij mij liet lezen schreef hij dat mijn fictieve vriendin Dorothea mij oraal bevredigde, terwijl ik op de dwarsfluit speelde. Hij beschreef hoe hij aan de muziek, die tot zijn zolderkamer doordrong, kon horen hoe ik gestaag het hoogtepunt bereikte. Crescendo, staccato... Joost is gezegend met een rijke fantasie... Dorothea zou jaren later weer opduiken in een ander verhaal.

Kort daarna pakte hij zijn spullen en vertrok. Ineens was hij weg en de zolder leeg. Precies zoals hij me dat eerder flikte toen hij midden in het jaar de school verliet. Bij het afscheid legde hij uit dat er knopen waren om doorgehakt te worden. Hij was toe aan iets anders. We leden in die tijd nogal aan Weltschmerz. Maar hij had er wel zin in. Hij vertrok naar Israël om in een kibboets vrijwilligerswerk te gaan doen en ik pakte mijn studie theologie weer op. In zijn eerste brief vertelde hij over een bezoek aan een kippenslachterij in het noorden van Israël. Het was een prachtig, sober verhaal.

 


                          De kippen kakelden niet. Ze klaagden. Ze brachten hoge, zeurende toontjes voor, een zwak protest                           tegen de ruwe verstoring van hun nachtrust.

                                                                                                                                                   Brief, Ein Harod, maart 1976

 

Deze keer was hij bij het schrijven trouw gebleven aan de werkelijkheid en had hij het verhaal niet laten ontaarden in dolle fantasie. Dat soort verhalen moet je schrijven, schreef ik enthousiast terug. Het was 1976 en in de bundel De hoer van Horatius is Kippen het oudste verhaal. 

 

 

 

Please reload

© Uitgeverij Terebint