De making of... De hoer van Horatius / 2

25 Sep 2016

 

2. De hoer van Horatius

 

Ook in de kibboets had de Weltschmerz hem nog steeds in zijn greep. In zijn brieven klaagde hij veel, maar wel met humor, galgenhumor. Zijn leven kenmerkte zich door diepe dalen en hoge toppen. We waren pas 26 jaar, jong nog en onervaren op velerlei gebied. Ik was jaloers op hem, want hij reed onbekommerd op een tractor onder de zon door de kibboets with one hand waving free (hij haalde altijd Bob Dylans teksten aan – nog steeds trouwens). In dat jaar werkte hij op de kippenfarm en leerde hij kippensoep maken 'helemaal vanaf het begin'. Dat wil zeggen, de nek omdraaien, plukken, ingewanden verwijderen, snijden en koken. Hij had de tijd van zijn leven en zag overal misère, waarover hij dan vrolijk in zijn brieven aan mij berichtte:


Twee Nederlandse vrijwilligsters, de een strijkplank, de ander pingpongbal, zijn in de Heer, maar verder wel normaal. Vanuit mijn kamer kijk ik uit op de berg Gilboa, in nevelen gehuld, en daar brachten de dikke en de dunne gisteren, sjabbat, in de stromende regen, hun dag door. Ze waren voor dag en dauw de berg opgeklommen, omdat die dag de Messias zou komen. Daar waren ze heilig van overtuigd. Jezus zou  terugkeren op aarde en zij wilden erbij zijn. Nog nooit zag ik teleurstelling zo diep in het gelaat gegroefd als in de smoeltjes van die twee maagden toen ze kletsnat aan het eind van de dag onverrichter zake weer van de berg afkwamen. Troosten had geen zin.

                                                                                                                                                        brief, Ein Harod, 20 februari 1977

 

Dat soort verhalen vertelde hij, maar een echt afgerond verhaal, daar kwam het niet van. Hij was weer gaan schilderen en tekenen. Op een dag stond hij ineens voor mijn deur. Hij was even overgekomen om bij zijn moeder te zijn, die het moeilijk had. 'Maar ik ga zo weer terug, hoor,' verzekerde hij mij. Uit zijn tas haalde hij een tekening die hij voor mij gemaakt had. 'Je schrijft niet meer?' vroeg ik.

'Tekenen levert meer op,' was zijn antwoord. Hij had een aantal tekeningen aan vrijwilligers in de kibboets verkocht om zo zijn vliegreis naar Nederland te kunnen financieren. 'Als warme broodjes, Erik,' glunderde hij.

Hij keerde terug, maar verliet de kibboets om nu zijn geluk in Tel Aviv te zoeken. Hij nam afscheid van zijn trouwe tractor en toog naar Tel Aviv, waar hij een kamer vond aan de Daniëlstraat. Een vervallen pand in een vervallen wijk. Maar wel met een raam met uitzicht op zee. Hij maakte er een tekening van. Fantastische zonsondergangen, jubelde hij. 'Rood, geel, oranje, als een verstild spervuur.'

 

 

Het schrijven lukte niet en niemand kocht zijn tekeningen. Daar kon hij jubelend over klagen en ik mocht het allemaal lezen, in zijn brieven. Hij werd aangenomen op de kunstacademie in Tel Aviv. Ze waren onder de indruk van zijn portfolio. Hij zou kunstenaar worden, een schilder. Geen schrijver.

En toen schreef hij De hoer van Horatius. Wat een verhaal! Over de jonge kunstenaar die de hele dag door de stad doolt, die zich bewust is van zijn gebrek aan daadkracht, die zoekt en zoekt, die weet dat hij het kan, maar alleen niet weet hoe. En dan valt 's nachts alles op zijn plaats; alle voorvallen van die dag, mensen die hij ontmoette, alles komt samen en zo rolt het verhaal eruit. In de regen geschreven, omringd door een roedel honden, de schipper met zijn brandende paarden en de hoer van Horatius die de jonge kunstenaar bezweert: Tijd is majesteit.

 

 

 

 

Please reload

© Uitgeverij Terebint