De making of... De hoer van Horatius / 5

29 Sep 2016

5. Het dertiende doek

 

De jaren negentig waren waarschijnlijk zijn meest productieve jaren, maar de wieg van Het dertiende doek stond toch echt in Nieuwegein, in 1989. Ik kan het bewijzen. Joost houdt rommelige – zeg maar zeer rommelige – dagboeken bij. Het zijn strikt genomen geen dagboeken, daarvoor schrijft hij er te onregelmatig in. Hij noemt ze zijn 'getijdenboeken'. Sommige staan vol met schetsen en ontwerpen voor kasten, schemerlampen, zelfs theepotten. Ook veel gedichten ('songs' noemt hij ze) en in al die getijdenboeken waart onmiskenbaar de multicolored beast rond.

In zijn werkkamer bespreken we de verhalenbundel, die er nu echt lijkt te komen. We zijn het grotendeels eens over de keuze van de verhalen. Hij leest in een map zijn oude humoristische verhalen van twintig jaar geleden en zit om zijn eigen werk te grinniken. Ik blader door een van de getijdenboeken en zie hoeveel voorbereidend werk er in zijn romans zit. Talloze pagina's vol plattegronden van de woningen, de wijk, de volledige geschiedenissen van de protagonisten, jaartallen, stambomen.

Boven aan een pagina staat met grote kapitale letters: “Ik heb het! Hier en nu!” Maar een paar regels eronder staat iets raadselachtigs. 'Wat bedoelde je hiermee?’ vraag ik hem en laat hem het lezen:

 

         Zoals ik al zei, het wordt nooit meer wat met mij. Dat is inmiddels wel duidelijk. Dat verhaaltje van de man die         onderweg van zijn werk naar huis verdwaalt is natuurlijk wel leuk, maar betekent niet veel. Bovendien ben ik         er niet zeker van wat ik wilde toen ik schreef: “Ik heb het! Hier en nu!”

                                                                                                                                      Nieuwegein, Getijdenboek 18 oktober 1988


 

'Geen idee. Dat staat er toch?'

Hij wilde niet dat ik dit fragment zou opnemen in deze making of, maar ik had bedongen dat ik alles kon opschrijven, mits het maar waar was, feitelijk, niet verzonnen.

Ik bladerde verder in een van die getijdenboeken en vond een fragment dat later Het dertiende doek zou worden. Hij schreef het in de nacht van 29 op 30 oktober 1989.

 

Alle ingrediënten zitten er in: mevrouw Panneman, de zwarte schuur, en natuurlijk opa Jo met het houten been. Wat wel heel opmerkelijk is, is dat het in het Engels geschreven is. Waarschijnlijk was het oorspronkelijk bedoeld voor zijn Israëlische vriend, Gingy, die geen Nederlands spreekt en aan wie de bundel is opgedragen. (Dat stak mij, eerlijk gezegd, dat Joost deze belangrijke bundel aan zijn Israëlische vriend heeft opgedragen, en niet aan mij; ik, die zijn hele schrijverschap heeft meegemaakt en alles heeft gelezen. Gingy kan de verhalen niet eens lezen! 'De volgende is voor jou,' verzekerde Joost mij met een grijns waaruit ik niet kon opmaken of hij het serieus meende of met mij dolde).

Veel van zijn verhalen hebben een brede autobiografische leest. Zo ook Het dertiende doek, waarin hij herinneringen ophaalt aan de vakanties die hij bij zijn grootvader doorbracht, aan de rand van een bos in de buurt van Nijmegen. Op dezelfde manier als in zijn oudste brieven begint hij met de realiteit van Joost als tienjarig jongetje op bezoek bij zijn opa. 's Avonds laat ligt het jongetje – onopgemerkt – achter de bank en luistert hij naar de gesprekken van de volwassenen. Hij fantaseert dat hij kan vliegen en boven de Leeuwenkuil in het bos zweeft, boven de zwarte schuur van mevrouw Panneman, en getuige is van de meest angstaanjagende gebeurtenissen. Het is een fantastisch verhaal geworden dat heel lang in de maak is geweest. Maar het begon in het getijdenboek, aan de keukentafel in Nieuwegein.

En nog was het niet af, ontdekte hij in 2012, toen hij dit verhaal de kern maakte van zijn tweede roman De dagen en nachten van Titus van Delwijn. Prachtige titel voor een boek waarin de multicolored beast de scepter zwaait. Het Beest is nooit ver weg.

 

 

Please reload

© Uitgeverij Terebint