De making of... De hoer van Horatius / 10

10 Oct 2016

 

10. Lorca

 

 In 2004 keert Joost Israël definitief de rug toe. Hij vestigt zich in Nieuwegein en wordt schrijver. We zien elkaar vaker dan toen hij nog in Israël woonde, maar toch lijkt het contact tussen ons minder te zijn geworden. Hij schrijft geen brieven meer, omdat we nu in hetzelfde land wonen en zo bij elkaar binnen kunnen lopen. Maar dat gebeurt maar weinig. Onze vriendschap is gemankeerd, bedacht ik toen. Het is een vriendschap onder voorwaarden. Zijn voorwaarden. (Ik mag hier schrijven wat ik wil; ik heb carte blanche, mits ik maar niets verzin). Het is ook waar dat hij waanzinnig druk was. Met schrijven en vriendinnen. Over die vriendinnen kan ik zeggen dat hij zich altijd vol verve in de relatie stortte. Ze waren allemaal mooi op hun eigen manier, intelligent, slim en sexy, maar meestal binnen een jaar bloedde de relatie dood. 'Breaking up is hard to do,' zong hij eens in de keuken toen hij voor mij zijn fameuze killer spaghetti Bolognese maakte. 'Ik doe het nooit goed. Altijd chaos, pijn en verdriet. Relaties zijn een ramp.' (Laat ik hier voor de goede orde melden dat Joost inmiddels de ware heeft gevonden. Hij noemt haar zijn muze).

Tal van verhalen heeft hij ondertussen gepubliceerd, hij wordt een vakman. Als broodschrijver laat hij zich inhuren door advertentiebladen om advertorials te schrijven voor restaurants, lingeriewinkels, healers, vermogensbeheerders en fabrikanten van parketvloeren, boomhutten, vloerbedekking, whirlpools, enzovoort. Hij schrijft begeleidende teksten in het rijk geïllustreerde kunstboek Depot – Verborgen schatten van het rijk. Voor een Beauty en Health tijdschrift schrijft hij tal van artikelen. Ondertussen voltooit hij zijn debuutroman Het huis van Fuad en neemt literair agent Paul Sebes hem op in zijn stal. Wanneer de afwijzingen van alle gerenommeerde uitgevers op de mat vallen, neemt hij na een paar maanden alweer afscheid van Sebes en schrijft zijn tweede roman De dagen en nachten van Titus van Delwijn, het boek waarin hij zijn multicolored beast een belangrijke rol laat spelen.

 

Maar al dat geschrijf zet weinig zoden aan de dijk. De schoorsteen moet roken en dat lukt hem niet als broodschrijver. En al helemaal niet met zijn literaire werk. Hij wordt machineoperator in een metaalfabriek. Desalniettemin zijn er twee uitgevers die hem serieus nemen, ze bewonderen zijn werk, maar durven niet tot publicatie over te gaan omdat ze twijfelen aan de commerciële potentie van zijn romans. Hijzelf twijfelt niet en besluit daarom zijn zelf een uitgeverij – Terebint – op te richten en daar zijn werk in eigen beheer uit te geven. In 2012 verschijnt Het huis van Fuad en een jaar later De dagen en nachten van Titus van Delwijn.

 

Dan slaat in 2013 de burn-out toe. Hij zit acht maanden thuis. In die tijd dring ik aan op een ontmoeting, maar daar heeft hij geen zin in. Pas na lang soebatten treffen we elkaar in een kroeg in Amsterdam. Hij is somber. Geen greintje humor. Hij is zestig geworden en Dylan zingt Not dark yet, but it's getting there. In de fabriek is het hem inmiddels duidelijk geworden dat hij niet in aanmerking komt voor een leidinggevende functie. Tot het einde der tijden zal hij aan de machine staan, opdrachten uitvoeren, buigen en knikken. De verkoop van zijn boeken is stilgevallen. Binnen zijn netwerk bevinden zich zijn trouwe lezers, maar daarbuiten krijgt hij geen poot aan de grond. Hij is moe van zoveel strijd, zoveel mislukte relaties.

'Is het de multicolored beast weer, dat zijn kop opsteekt?' vraag ik hem. We zitten in een klein café waar je dan nog mag roken. Door de sigarettenwalm zie ik hoe hij bedachtzaam nee schudt. 'Daar heb ik geen last meer van,' zegt hij, 'ik heb nu vooral last van mijzelf. Ouder en wijzer en wat dan nog? Leeggezogen, geen sprankje creativiteit meer in dit brein.'

 

 

 Hij leest nu alleen nog maar. Geen romans, maar biografieën en bijbelgeschiedenis. Shakespeare, Yehuda Halevy en Shmuel Hanagid, Spaans-Joodse dichters uit de 10e eeuw. En Federico Garcia Lorca. De grote dichter die in 1936 op vierendertigjarige leeftijd tijdens de Spaanse Burgeroorlog door Franco's troepen werd gefusilleerd. Dezelfde generalissimo die in de jaren zestig, toen Joost bij zijn ouders in Madrid woonde, nog aan de macht was.

‘Ik mis het Beest,’ zegt hij ineens en steekt zijn vinger op om te gebaren dat er nog twee glazen whisky gebracht moeten worden. Mijn keel doet pijn van het roken en mijn ogen wateren. 'De multicolored beast is mijn creativiteit,' legt hij uit en buigt zich over tafel in mijn richting. Een bezwerende vinger gaat voor mijn neus driftig op en neer. ‘Waar is het Beest? Ik ben niets zonder hem, die mij aanspoort, gek maakt, tot leven wekt.’

 

We praten over zijn tijd in Madrid en de gespannen sfeer die er heerste op de universiteit, waar hij Spaans studeerde. Overal die dreigende koppen van de Guardia Civil met hun malle hoofddeksel, el tricornio. Hij vertelt honderduit over Lorca en duende. Ik zie hoe hij warm loopt, enthousiast wordt.

'Wat de fok is duende?' vraag ik.

'Een hoge staat van emotie,' legt hij uit. 'Het is het talent om een grote emotie over te brengen op je publiek.

'Dan heb jij duende, zeg ik. 'Weet je nog dat je De engel in de els voorlas in dat literaire café in Utrecht? Dat was duende.'

'Welnee! Duende is een potentie, een duistere kracht die toreadors en flamencozangers gemeen hebben. Het is geestdrift, bevlogenheid. Het zit in je aderen, het valt niet te verklaren. Het is het summum van creativiteit, het is de bezielde kracht van Moeder Aarde.'

En ineens is het Beest terug. Het is alsof het hier aan tafel is aangeschoven. De dofheid glijdt van zijn netvlies en door die glinsterende ruiten van zijn ziel zie ik dat er is weer van alles aan de gang is in dat hoofd van hem. Sterrenwichelaars en merlijnen komen langs en boven de vroom gebogen hoofden wiegt de Maagd in crinoline als een schip verdwaald op zee.

 

Een week later stuurde hij mij zijn eerste versie van Lorca. In zijn elegante handschrift had hij eronder geschreven: The beast is back! Thanks to you. Aan het eind van datzelfde jaar publiceerde hij Al komt de nacht, een boek waarin hij nu eens echt alles had verzonnen en niet teruggreep op zijn eigen verleden, en dat eindigt in totale onbeschrijflijke ontreddering. Hij was weer aan het werk. Ook in die metaalfabriek.

 

 

 

Please reload

© Uitgeverij Terebint